ISBN

978-94-92339-78-2

Paginas

72

Publicatiedatum

16-03-2019

 17,50

De vonk

Auteur: Claude van de Berge

De vonk is de derde dimensie die resoneert met het stoffelijke, het lichaam, en het geestelijke. Tussen het zichtbare en het onzichtbare wijst de dichter de mens aan in de vorm van het woord, bestemd om de verbinding te scheppen en te behoeden. Het woord wordt, als de vonk, het ultieme wonder van het bestaan: de verbinding die werkelijkheid laat openbloeien.
Van de Berge verbindt poëtisch de mysteriën van Meister Eckhart met de kosmologie van David Bohm.

Deze gedichten kunnen als op zichzelf staande teksten worden gelezen. Daarnaast zijn het onderdelen van een vele bundels omvattend poëtisch werk.

Knipsel

 

Het onuitputtelijke van de leegte is wat in het andere
het verlangen wekt naar het andere.
Alles is in zichzelf het andere.
Alles is het onbestaande van het andere.

Alles verlangt de gedaante te zijn van een alzijn
in het andere.

Alles verlangt iets anders te zijn.
Alles verlangt niet langer de gelijkenis van zichzelf te zijn,
maar zichzelf te zijn als de gelijkenis van het andere.

Het onuitputtelijke van de leegte is de bodemloze bloem
die haar oneindigheid omsluit als onszelf, en zich uitspreidt
en openbreekt.

 

Over de auteur

Arlette Walgraef zorgt opnieuw voor ongewone foto’s bij de gedichten. Zij is actrice en beoefent al jarenlang landschapsfotografie. Ze werkte als fotografe mee aan diverse bundels van Claude van de Berge, en andere boekuitgaven. Claude van de Berge werd o.a. onderscheiden met de Prijs van de Vlaamse Provinciën en de Dirk Martensprijs. Poëzie van hem werd opgenomen in allerlei tijdschriften en verscheen in vertaling van Nederlandstalige poëzie in buitenlandse bloemlezingen.

Recensies

  1. :

    Het onzegbare bevriest de poëzie, terwijl het onuitsprekelijke haar bevrucht, inspireert en betovert. Van de Berge weet te raken aan dit onuitsprekelijke, hoezeer hij ook de grenzen van het verstaanbare opzoekt, in het besef dat hij de onmiddellijke ervaring, het ogenblikkelijke van het geluksmoment niet kan maar wel probeert te verwoorden in de spiegelkamers van zijn taalpaleis: ‘Het spiegelbeeld van een wijde verte verdwijnt nooit / uit de ogen van de ziel.’ Hij blijft waakzaam ‘in de uitgeholde verglazingen / van het ruimteloze.’

    Van de Berge laat zijn bundel voorafgaan door twee motto’s en een poëticale inleiding. Zodoende weet hij zich gesteund door de orakeltaal van Novalis en de mystieke taal van Meister Eckhart die beiden de grondeloze Aanwezigheid in de diepte van de ziel hebben verkend. Tevens noemt hij de kwantum-natuurkundige David Bohm die de oneindige substructuur van de materie en haar vormen van energie heeft bestudeerd. Daarmee heeft Van de Berge zijn immanent-metafysische verkenningen door de tijden heen in zijn poëzie verankerd.

    (…) Van de Berge weet zijn taal in dit aan zichzelf spiegelend heelal de vederlichtheid van vlinders mee te geven die het verlangen naar hoger sferen in zich dragen.

    (…) Deze dichter slaat zich als een sjamaan door een taalwerkelijkheid heen in de richting van wat ‘het wezen van het woord’ kan verlichten. Die wezenskern, daar gaat het hem om: in de taal en wat zich daarachter, daaronder, daarbuiten, daarin en voorbijgaand daaraan bevindt. Bovenal ligt daarin zijn hang naar de heelheid, het eeuwigdurend ogenblik: nunc stans.

    (…) Gelukkig is de poëtische kosmologie van Van de Berge zodanig opgebouwd dat ze niet geheel loskomt, kan loskomen van de aardse realiteit. Hij weet ‘het zwijgende dat spreekt met zijn stem’ levensadem te geven.

    (…) De taal die door de dichter wordt geformuleerd, vindt haar oorsprong in de oneindigheid. Terzelfdertijd weet de dichter dat de taal zich in oneindige cirkels rond het onbereikbare wentelt. Het zwijgen zonder beelden spreidt zich in eindeloze verte uit. Daarmee gaat de taal op in haar oorsprong die zich niet laat situeren, verbeelden of verwoorden. Van de Berge werkt in deze prachtig vormgegeven, diepzinnige bundel toe naar een beroering door de geest van het mysterie (hugrun) dat als een echo in de diepte van het verborgene zich manifesteert.

    Johan Reijmerink, Meander

  2. :

    “Muziek is de kunst van het niet-bestaande. Poëzie is de kunst die een taal geeft aan het niet-bestaande. (…)

    Kijk, er zijn veel wonderen, van de bloem tot de kosmos, de oneindigheid, het mysterie van de zwarte gaten, maar het grootste wonder is de taal. Alles wat is, alles wat niet is, het stoffelijke en onstoffelijke, het bekende en het onbekende, alles wat we ons verbeelden of verlangen, alles verschijnt in de taal. Het onuitsprekelijke kan taal worden. (…) 

    De stilte zelf is het gedicht. Het lezen van het gedicht is in een stilte treden. In de stilte is het onbekende en is het onbekende ons ‘heim’. In de stilte openbaart zich een magisch ontologisch nulpunt, de eenheid met de alheid. (…)

    Ziel, taal en mysterie zijn één in ‘Hugrun’. De ziel is wat de mens tot mens maakt. En een gedicht tot een gedicht. Poëzie is datgene wat overblijft als je de woorden van het gedicht wegneemt.”

    Claude Van de Berge in een interview met Jooris Van Hulle, Poëziekrant